Werk als levensvervulling?

Sinds een paar jaar hoor je mensen vaak zeggen dat ze een baan zoeken waar ze energie van krijgen. Nu ben ik zeer tevreden over mijn werk, maar aan het eind van de dag ben ik wel moe. Van een baan waar je energie van krijgt, heb ik nog nooit gehoord. Gezien het grote aantal mensen dat hier over spreekt, is het echter een breed gedragen overtuiging dat dit soort banen wel degelijk bestaan. Dat ideaalbeeld zorgt voor veel problemen.

In haar boek “Het is mooi geweest” plaatst Judith Mair deze overtuiging in een breder perspectief. Ze geeft aan dat arbeid tegenwoordig steeds meer gezien wordt als een levensvervulling en steeds minder als een noodzakelijk kwaad om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Steeds meer mensen zien in hun baan een mogelijkheid om de persoonlijke groei te faciliteren. Dit leidt ertoe dat de grenzen tussen het persoonlijke leven en het werkende leven steeds verder vervagen. De uitspraak van Confucius : “geef mij een baan die bij mij past en ik hoef nooit meer te werken”, gaat volgens Mair steeds meer betekenen: “geef mij een baan die bij mij past en ik kan altijd werken.” Uiteindelijk zorgt een dergelijke scheefgroei tussen het persoonlijke en het werkende leven voor veel spanning en teleurstelling.

Organisaties worden maar zeer zelden opgericht met als doel de persoonlijke groei of het geluk van de werknemers te bevorderen. Bovendien zijn bepaalde zaken die inherent zijn aan een organisatie, niet per se bevorderlijk voor ons welzijn. Veel mensen, vooral Nederlanders, voelen zich bijvoorbeeld niet prettig in een hiërarchische structuur. Voor een organisatie is het echter wel veel effectiever wanneer er iemand aan het roer staat die duidelijk de baas is.

Hoe leuk het werk dus ook is, het blijft toch maar werk. Er zit altijd een aantal aspecten aan die ons tegenstaan of waar we minder goed in zijn. Dat hoort er nu eenmaal bij. Werk is ook helemaal niet bedoeld als levensvervulling. Het is prettig als we een baan vinden waar we trots op zijn en waar we ons mee identificeren, maar het werk op zich volstaat niet om ons gelukkig te maken. Daarvoor moeten we ons ook in ons persoonlijke leven ontplooien.

In loopbaanprogramma’s zijn we er sterk op gericht om een baan te definiëren die goed past bij de cliënt in kwestie. Het is echter ook onze taak om al te grote (lees: onrealistische) verwachtingen in te tomen. Wie niet terdege beseft dat de ideale baan niet bestaat, loopt de kans om chronisch zoekende te blijven. Zo iemand concentreert zich vooral op wat er niet goed is aan een baan en ziet daarom de goede aspecten van het werk over het hoofd. Soms is het verstandiger om je zegeningen te tellen en je verwachtingen naar beneden bij te stellen. Op die manier raak je niet verstrikt in een zoektocht naar een ideaalbeeld dat in de werkelijkheid niet bestaat. Een dergelijk inzicht zal rust geven en dat hebben veel mensen nodig wanneer ze thuis komen na een lange dag op het werk.